Een brief die niet gelezen wilde worden

Met het restaureren van een huis dat er al een paar eeuwen staat, kun je verrassingen verwachten: Mooie vondsten en met geluk wordt iets van de geschiedenis blootgelegd. Goudstukken hebben we niet gevonden. Wel kwam er onder een vloer een twee-meter-diepe 18e eeuwse olijfolieput tevoorschijn. Een beloning voor het werk. Er werden ook verstop-plekken achter dikke muren ontdekt, maar daarin troffen we niet meer aan dan wat oude gebruiksvoorwerpen. Je kijkt terug in de tijd, het verleden wordt onthuld. Maar de meest bijzondere vondst kwam uit een plafond, in een konijnenhok van Casa Milan.

Tijdens het schuren boven mijn hoofd voel ik iets uit een balk steken. Eerst schuur ik nog eens, maar zie dan dat er een wit puntje uit een spleet steekt. Met mijn nagels kan ik het vastpakken en iets laat zich makkelijk uit de balk trekken. Het is een opgevouwen papier. Ik open het. Een brief geschreven op een wit schoolschriftblad. Ik zie een ouderwets handschrift met gekrulde letters. In de aanhef lees ik direct 1903.

De brief was gericht aan Fernando. Een naam die we al kenden van verhalen van de oudste dorpelingen. Don Fernando was een van de vroegere bewoners van dit huis en een man met een reputatie. Het was iemand die zich meer veroorloofde dan anderen; ervan profiteerde dat zijn huis buiten het zicht van het dorp stond. De brief was afkomstig uit Frankrijk, geschreven in het Spaans, eindigend met een Franse meisjesnaam. De inhoud was triest en dreigend. Heel dreigend. De emotie zat nog tussen de letters. Het leven zonder Fernando was ondraaglijk geworden. En als er niet snel een wederzien zou volgen dan …

Ik vond de brief in 2003, het jaar dat we Casa Milan restaureerden. Ik realiseerde me direct dat de brief precies 100 jaar eerder werd verstopt. In het konijnenhok. Hoe heeft dat moment eruit gezien? Wat was eraan vooraf gegaan? Duidelijk is dat niemand destijds de brief mocht vinden. Honderd jaar later vindt een Hollander de verzwegen noodkreet in een afgelegen huis ergens in de heuvels van de Pyreneeën.

Hagelwit werd de brief uit de spleet gehaald, alsof de nood daarvoor niet eens gehoord was. Pas in mijn handen verkleurde het papier. En heel snel werd het hard, na een paar dagen zelfs breekbaar. Zo kwam het dat een hoekje van de brief afbrak en in een pot met spijkers terecht kwam om het maar niet te verliezen. En om de brief zelf niet verder te beschadigen heb ik hem thuis tussen de bladen van een groter boek gelegd. Zo is het toen in onze boekenkast terechtgekomen.

Met een enkele dorpsbewoner besprak ik eens de vondst. Maar het werd me duidelijk dat het beter was om voorlopig deze kwestie weer te laten rusten. Voor de waarheid was het voor de nazaten misschien nog steeds te vroeg.

Elke keer als ik spijkers nodig heb, herinnert het afgebroken hoekje me aan de brief. Al ruim tien jaar wordt het stukje perkament in hetzelfde potje bewaard. Om het ooit weer eens aan de brief te hechten. Maar de brief zelf … niet een keer in de afgelopen tien jaar hebben we hem weer gezien. We hebben er uiteindelijk echt naar gezocht. Nergens is de brief meer te vinden ….. Tot nu toe.