Schijnen en verschijnen

Als een kind, 
bekend met het onbekende,
onbekend met het bekende,
´hij´ zeggend tegen zijn verschijning, 
zijn gedaante bij de voornaam noemend…
Als het perspectief nog van zichZelf getuigt.
Ervaren niet met Zijn verwart …

Wat je bent is niet te ervaren en wat je ervaart is niet wat je bent. Toch is wat je ervaart niet te scheiden van wat je bent.

Alleen het “zijn” is zich van zichzelf bewust. Het zijn dat niet “iets” is, zelf intrinsiek leeg is, geeft ruimte aan ervaren, aan alles wat verschijnt.
Het Zijn is onze gemeenschappelijke basis, je kunt je er niet van ontdoen omdat je het zelf bent. Als verschijnselen doven, schijnt het Zijn nog door. Een schijnende leegheid, vol van zelfbewustheid. Een openheid die zelf ziet, een totale wakkerheid die er ook zal zijn als er weer iets nieuws verschijnt. Het enige wat echt massief is, is de lichtheid van het bewuste zijn. Een aanwezigheid in alles, onveranderlijk en zonder grens. De enige constante in ons leven zijn we zelf. De staat van wakker zijn is die waaruit je niet meer kunt ontwaken. Een staat waarin verschijnselen verschijnselen zijn. De acteur in je eigen droom wordt ontmanteld; de eerste, de tweede en de derde persoon als de re-presentant van aanwezigheid worden ontmaskerd. De droom wordt als droom gezien, helderheid op z´n wakkerst.

Begrenzingen komen van de verschijningen. Wat verschijnt heeft een eind. Verschijnselen komen en gaan, vloeien moeiteloos in elkaar over. Maar geen verschijnsel heeft een eigen bewustzijn, is zich van zichzelf bewust. Het zijn ervaringen in het onveranderlijke zijn. Verschijnselen kunnen niet op zichzelf staan, het zijn verschijningsvormen van een-en-hetzelfde-zijn. Alles wat verschijnt IS in wezen het ene Zijn, … ook al ervaren we het anders. De verschijnselen vormen het spel van begoocheling; de illusoire zelfstandigheid van verschijnselen. Maar in werkelijkheid is er alleen die ene ondoorgrondelijke samenhang, een interactie van verschijnselen, … van en binnen ons bewuste zijn.

De persoon, een verschijning, is zich dus niet van zichzelf bewust. We kunnen de persoon niet zijn, het zijn is alleen zichzelf. Maar de persoon doet aanwezigheid oplichten net zoals aanwezigheid de persoon doet schijnen. De verschijning maakt het ongekende kenbaar, .. herkenbaar omdat we het zelf zijn. Schaduw maakt het licht dat zelf onzichtbaar is zichtbaar. Er is een verschijning voor nodig om te zien dat er alleen bewustzijn is. Er is iemand voor nodig om te zien dat er niemand is.

Alleen het zijn is zich van zichzelf bewust.
Onbegrensd, leeg en stil, maar vol van aanwezigheid.
Nooit heeft iets dat kunnen evenaren.
Geen iemand die het heeft kunnen ervaren.

Ervaren en bewustzijn, twee als een of een als twee.
Het veranderlijke wordt ervaren in het onveranderlijke dat we zijn.
Niets wat ervaren wordt is zich van zichzelf bewust.
Wat ervaren wordt, kan zelf niet zijn.
Wat verschijnt heeft een eind. 
Alleen bewust zijn is.

We zullen altijd onze verschillen blijven ervaren maar we zullen eeuwig het ondeelbare zijn.

(Uit: Aantekeningen bij “aandacht voor ruimte – ruimte voor aandacht”)